De sprong van verzetsman Ad Jansen

In het meinummer van Straatjournaal leest u over Ad Jansen, die in de zomer van 1944 werd opgepakt door de foute politieagent Fake Krist. Jansen overleefde de oorlog. De handboei die hij tijdens zijn spectaculaire ontsnapping droeg, wordt vandaag de dag tentoongesteld in het Vrijheidsmuseum te Groesbeek. Jansen schreef zijn verhaal op in een schriftje. Delen daarvan kunt in Straatjournaal lezen bij het verhaal over Jansen. Het volledige relaas van de verzetsman vindt u hieronder.

“Waarom dit in elkaar gedraaid is? Ik weet het niet, het idee is mijn hoofd binnen geborreld op een nacht, waarin Morpheus verstek liet gaan. En zie hier, enige dagen later het begin van het resultaat. Ja, misschien is er toch wel een reden, want altijd blijft er, al is het heel erg op de achtergrond, het begrip student, dat synoniem is met geldgebrek. Als nu een op de duizend Nederlanders zich hier voor interesseert zijn we klaar……..snapt u, edele lezer?

Als iemand een dagje ouder wordt, behoort het tot de goede gewoontes, dat die iemand een pen in zijn hand neemt, moderner: voor een schrijfmachine gaat zitten, zich voorover buigt en schrijft, en wel zijn memoires. Ik ben niet oud, ergo geen memoires.

Dit is dus zoiets als een oorlogsbelevenis, die, nu we van de gehate onderdrukker bevrijd zijn, een verhaal om je krom te lachen is, om geen erger woord te gebruiken. Op het moment kan je weer in het openbaar lachen en praten. Is dat geen wonder? Als je 4 jaar je mond hebt moeten houden?

Op het moment dat dit oorlogsmonumentje ontstaat, drukt het juk der vernedering en smaad, dat ons door de wrede bezetter werd opgelegd, zwaarder dan ooit. Alles wat mooi is, is ons ontnomen. Hoe zullen we de rijke betekenis van het woord “Vrijheid” waarderen! Alea iacta est (letterlijk de teerling is geworpen), of anders gezegd, we zullen eens wat in ons geheugen gaan wroeten op zoek naar alle bijzonderheden van een dag in juli, waarop de SD meende iets te pakken te hebben. Gelukkig was dat ”iets” alleen maar wat lucht….

Het was die dag prachtig zonnig weer, wat dat eigenlijk met de zaak te maken had, weet ik niet, maar ‘t was prachtig weer. Op het arbeidsbureau was een afspraak. Ik zou enige Ausweise halen, die daar gestempeld zouden worden. Dat was het resultaat van een bezoek  de dag tevoren.

De persoon waarmee de conformatie zou plaats hebben, zat ergens boven in het gebouw en ik in een kamer met twee van de vuilste agenten die Haarlem in die tijd kende. Schoon van buiten, vuil van binnen, slokdarmen en dergelijke.

Iemand waarschuwde de persoon in kwestie. En zo kreeg ik even later een envelop in mijn handen gestopt waar de bewuste Ausweise in zaten.

“Stop gauw weg, ‘t is gevaarlijk. De zaak is in orde.”

Illegale personen, dat zijn dus de van valse papieren voorzienen, zullen het arbeidsbureau altijd met een gevoel van opluchting verlaten, zo ze het tenminste al bezoeken. Ook ik behoor tot de opluchtings individuën. Dus stapte ik verlicht op mijn fiets. Dat wil dan zeggen op het rudiment van een fiets, want het apparaat was volkomen gedegenereerd tot iets prehistorisch. Lekke, respectievelijk massieve band, geen spatbord.

Op dit instrument sjokkerde ik voort, moeizaam, maar toch altijd vooruit. Op een zeker moment wist ik dat er iemand achter me aanreed en had alleen het idee: als ik geschaduwd wordt gebeurt het verduiveld slecht. Harder rijden en wegkomen ging niet, wegens die ellendige leegte in mijn band.

Zo kon het dan gebeuren dat ik enige seconden later op mijn  schouder getikt werd en iemand me naar mijn persoonsbewijs vroeg, terwijl me een gele legitimatie van de staatspolitie onder de neus geduwd werd. Het persoonsbewijs en het aanverwante ausweis waren natuurlijk in orde.

Ja we zijn niet gek.

Waarom ik niet op school zat?

Eind juli en dan als student nog werken?

Vrij zielig, maar zoiets kan je van een SD-agent verwachten. Achteraf bleek het zelfs een inspecteur te zijn. Hij was echter niet erg tevreden en nodigde me uit om een bezoek af te leggen op de Nassaulaan, waar zich het hoofdkwartier van de SD bevond, om het zaakje toch eens iets nader te onderzoeken. Hetgeen natuurlijk helemaal niet leuk was. Maar dat hield ik wijselijk voor me.

Aldus zetten we onze karren weer in beweging. De tocht ging naar de Nassaulaan en niet naar het politiebureau, zoals ik verwachtte. Onderweg zocht ik naar een mogelijkheid om me van de enveloppen met ausweise te ontdoen, maar het lukte niet, want de kerel hield me voortdurend in de gaten.

Zo liet hij me netjes voorgaan bij het bestijgen van de trap, ondanks het feit, dat ik hem voorstelde om voorop te lopen omdat ik de weg niet wist. Boven in een kamer aangekomen, waar nog enige  ongure individuen zaten, liet hij zijn vriendelijkheid varen. Greep me beet en maakte mijn zakken leeg. Bij het ontdekken van de ausweise hoorde ik iets van “Goede vangst”en “Kom maar eens mee naar die andere kamer, dan zullen we het zaakje eens nader onderzoeken”.

Het volgend tafereel speelt zich af in de kamer er naast. Twee kerels, de een ziet er uit als een roofdier met grote lange tanden en een gemene grijns over zijn gezicht. De ander ziet er iets menselijker uit en schreeuwt ook niet zo hard als nummer een. Ze beginnen een plundering van mijn portefeuille, die vol interessante dingen zit. Een aanvraag voor een persoonsbewijs, voor een ausweis. Een stel lui die afgekeurd willen worden voor de arbeidsdienst, zegeltjes voor persoonsbewijzen, een boekje van een stamkaart, een aantal rijwielkaarten van de spoorwegen en dan natuurlijk de nodige privé spullen.

“Voor wie zijn die spullen bestemd? Van wie heb je die ausweise gekregen. Wat zijn je relaties?” Een van de eerste dingen die me opviel was het feit dat de ausweise ongestempeld waren. Zodat ik meteen aan verraad op het arbeidsbureau dacht. Ik had een vrij behoorlijk verhaaltje in elkaar gedraaid: een van mijn vrienden was gearresteerd en zodoende zaten we helemaal in de knoop. Vandaar dat ik die aanvragen in mijn zak had en naar het G.A.B. geweest was , want we waren onze stempels kwijt. Maar op het arbeidsbureau durfden ze het niet aan om een paar stempeltjes te zetten.

“Je liegt, moet je een klap op je bek hebben,” zegt het roofdier.

“Als je nu verstandig bent noem je een paar namen. Dat zal je aanmerkelijk schelen in je straf,” zegt de schijnmens.

“Heus, ik vertel precies wat ik weet. Ik ken niemand, behalve die ene vriend, die gearresteerd is.”

“Hou je mond verder maar, we zullen je vanmiddag of anders morgen wel aan het praten krijgen. Zo niet, dan ga je naar Amsterdam, daar hebben ze niet zo veel geduld. Maar daar word je uitgewalst, zodat de woorden vanzelf over je lippen komen. Erg makkelijk.”

Ze ontdekten de kaart van Frankrijk (het was juist het begin van de invasie): “Je wilt zeker graag dat ze hier landen, hè.”

“Ja toch wel.”

“Nu ik niet, niet voor mezelf, maar vooral voor jou, want je snapt wel, dat de Duitsers dan geen tijd en gelegenheid hebben om je naar een meer oostwaarts gelegen kamp te voeren. En loslaten zullen ze je ook wel niet. Je wordt natuurlijk tegen de muur gezet.”

“Moet ik nu roepen; “Laat alsjeblieft de Amerikanen en Engelsen wegblijven. Het is gewoon belachelijk.”

Een cijferlijst van mijn eindexamen: “Prachtig, prachtig. Nu je bent hier ook schitterend geslaagd. Uitstekend gedaan. Je snapt zeker wel dat er van je studie nu niets meer terecht komt, dat is natuurlijk verloren.“

“Ach die lag toch allang in de war, dankzij de Duitse maatregelen.”

Zwijgen. Volgend voorwerp uit de portefeuille. Rijwielkaarten.

“Wat moet dat?”

“Die gebruik ik als ik mijn fiets meeneem op reis.”

“Nee mannetje, nee dat is heel ergens anders voor.”

Verwondering van mijn kant.

“Doe maar niet zo onnozel, lelijke dief.”

Stomme verbazing.

“Ja tuig van jouw soort is overal toe in staat. De ene misdaad of de andere is voor jullie hetzelfde. We begrijpen heus wel dat die kaarten gebruikt worden om op de stations aan fietsen te hangen en ze dan te stelen.”

Ik moet inwendig lachen, ziel van een man…..

Brieven van mijn meisje.”Wat leuk. Laat eens kijken. Nou nou, het wordt steeds liever. Dit is zeker het toppunt. Allerliefste.”

Ik kan hem wel aanvliegen.

“Dit is privé en heeft niets met de zaak te maken.”

Het boekje van een stamkaart.

“Wat is dat? Van wie is dat?”

“Van mij natuurlijk.’’

“Wat betekent dat dan? Heb je geen stamkaart en geen bonnen?“

“Nee blijkbaar niet.”

“Je bent dus nog ondergedoken ook, dat maakt de zaak alleen nog maar erger.”

De “experts” hadden niet eens ontdekt dat mijn papieren vals waren, noch dat mijn collegekaart vals was.

“Hoe kom je dan aan je bonnen?“

“Dat is een beroerde geschiedenis. Daar zorgde die vriend altijd voor en nu hij gearresteerd is, weet ik niet meer hoe ik er aan moet komen.“

“Ik heb er zin in om je eens een flink pak slaag te geven, misschien dat dat je geheugen eens zal opfrissen.“

“Ik kan u toch heus niets anders vertellen, want het is waar wat ik vertel.”

“Wat is dit voor papiertje? Wie is die…? ?“

“Ja hier staat dat het een goede zeilvriend van je is.”

“O ja natuurlijk.”

Het geval was zo, dat ik aan die bewuste persoon  op het GAB zou vragen of hij iets …. kon doen, want die was de vorige dag gearresteerd wegens onderduiken. Ik kende de goede man helemaal niet.

“Wat moet daarmee.”

Het geval wordt uiteen gezet: dat het een goede vriend van me is, die ik probeerde zijn vrijheid terug te geven. Hier neemt men genoegen mee.

“En vertel nu maar eens wat van je vrouwelijke relaties op het arbeidsbureau?”

“Vrouwelijke relaties?”

“Doe maar niet zo onnozel en vertel wat je weet, anders zal ik de woorden wel uit je bek slaan.“

“Wat is dat nu voor onzin, ik ken geen enkel meisje op het arbeidsbureau.”

Natuurlijk ken ik er een meisje, maar die moet er in elk geval buiten blijven.

“Wacht maar, we zullen je vanmiddag wel klein krijgen. We hebben geduld hoor.“

“En waar heb je je spullen thuis verborgen?”

“Ik heb thuis niets, daar zult u tevergeefs zoeken. “

“Als je het niet vertelt scheuren we het behang van de muur en we plakken het er niet meer op als we weggaan. We gooien de hele boel overhoop tot we vinden wat we zoeken.”

“Ga uw gang, u zult niets vinden.”

Mijn naam wordt in het arrestantenboek geschreven en ik kan naar de andere kamer verdwijnen waar nog een stuk of zes stuks tuig zit.

“Ga maar zo lang op een stoel zitten. Dan gaan wij intussen wat eten. Nee, neem die leunstoel maar, dan heb je tenminste een steuntje als je mocht flauwvallen.”

Ik ga in een leunstoel zitten, zwaar, massief en word met mijn rechterhand aan de leuning vastgeboeid. Iedereen verdwijnt. Ik begin te wurmen en te wrikken. Natuurlijk geen kans. Ze gebruiken goed spul. Ik ben helemaal alleen. De kamerdeur is op slot, maar het raam is open. Nu kalm nadenken. Wat zeggen bij het verhoor dat zonder twijfel vanmiddag zal plaatshebben. Hoe zal ik moeten liegen dat het geloofwaardig klinkt?

Het raam. Dat staat open. Maar beneden zijn nog mensen. Er uit springen? Of een blauwe boon in mijn body? Het is mijn enige kans, dus het moet. En daar schuif ik, de stoel meetrekkend, naar het raam.

Geen kip te zien. Zal ik?

Daar klinkt beneden gestommel. Het lijkt wel of er iemand naar boven komt. Als een razende ren ik terug, bots ik tegen de serre deuren aan. Lawaai. Maar er komt niemand binnen. Het moet, nu heb ik nog de kans. Dus weer terug naar het raam. Op de vensterbank heb ik een seconde aarzeling.

Daar gaat ie!

Langs het raamkozijn, tien centimeter breed, minstens twee meter lang. Zeer labiel evenwicht. Stoel in mijn rechterhand, arm gestrekt. Even sta ik helemaal los. Dan zwaait de stoel op het muurtje dat de afscheiding vormt tussen de tuin van het gebouw en het ernaast liggend straatje. Een tiende seconde later sta ik zelf op het muurtje en laat de stoel en dan mezelf vallen.

Niets gebroken, alleen rolt de stoelzitting op de grond. Nu, die mogen ze houden. Ik heb geen seconde te verliezen en laat hem dus liggen. Het zijstraatje uit. Naar de Spaarnestad (drukkerij). Niemand hoort me als ik op de deuren timmer. Het lawaai van de machines overstemt ieder ander geluid. Daar komt een heer aan. Mijn enige kans.

Een risico, ik waag het. “Help me in godsnaam. Zo even ontvlucht aan de SD. Help me.”

Man zegt niets, loopt door. Lijkt verbouwereerd. Gaat een poortje in, komt weer terug.

“Gauw mee, hierheen.”

Ik ook het poortje in, loop achter de SD gebouwen om, langs enige stom verbaasde arbeiders, die ik vergeefs om een zaag vraag en kom, steeds mijn redder volgend, in een kantoorgebouw aan de Nieuwe Gracht. De heer is daar plotseling verdwenen en ik sta voor de vrouw van de conciërge.

“Ja maar ik durf u niet te helpen. Want ik weet niet of het wel goed is.”

“Ik ben een politiek gevangene en geen misdadiger. Dat ziet u toch wel.”

“Ja, maar ik ben hier eigenlijk vreemd. Enfin, ik zal de chef er maar bij halen. Die weet beter wat er moet gebeuren.”

Enfin de chef komt.

Ik vraag om een zaag. Hij zegt niet veel en brengt 20 minuten door met zoeken naar een zaag, maar kan er geen vinden. In die tussentijd ben ik een keer een bibliotheek en later een kelder ingevlucht, omdat er iemand aankwam. Gelukkig loos alarm.

Eindelijk dan komt de behulpzame chef me vertellen dat hij een werkman ontdekt heeft, die me los zal maken. De werkman komt, kijkt en zegt, dat hij een zaag zal halen. Intussen is het al ruim een half uur geleden dat ik uit het raam gesprongen ben! Het begint nu toch wel tijd te worden. Daar komt de werkman weer aan met een zaag, een ijzerzaag nog wel!

Maar de man is zo zenuwachtig dat hij het zaagje niet in een gleuf kan houden. Bovendien is hij bijziende. Ik help hem zo goed en zo kwaad als het gaat. Keurig gaat het nu en een minuut later ben ik vrij! Dat wil dan zeggen, bevrijd van die ellendige stoel, want om mijn pols zit nog steeds de boei.

“Wat moet ik met die stoel beginnen?“

“Ik gooi hem wel in de Nieuwe Gracht.”

“Nee, dat is veel te gevaarlijk, want dan zien ze gelijk waar je bent ontsnapt. Dat is te gevaarlijk voor ons”

“Maar wat moet ik er dan mee beginnen?”

“Nu wij zullen hem wel verstoppen in het kolenhok en er brandhout van maken.”

“Vindt u het dan goed dat ik er vandoor ga?”

“Ja hoor, dat is best, maak maar gauw dat je wegkomt.”

“Ik bedank u reuze hartelijk voor uw uitnemende hulp.”

Tijd voor meer woorden is er niet. Ik vlieg de deur uit in een tempo dat alle records verslaat. Dat wil zeggen, alleen op de trajecten waar niemand me ziet, zoals in het Bolwerk, zet ik er een dergelijk tempo in. Op de andere stukken beoefen ik het snelwandelen.

Even voor tweeën arriveer ik op de Schotersingel, het dichtstbijzijnde illegale adres: Jan van Son.   Hij doet open: “Maar kerel, wat is er met jou gebeurd?“

Ik laat mijn pols met aanhangselen zien.

“Kom mee naar boven.”

Hij haalt op zijn kamer sigaretten en thee. Ik word verbonden, want ik heb blijkbaar mijn huid opengehaald. Een smid wordt gehaald, maakt me los.

“Als u soms in moeilijkheden zit, komt u maar bij ons binnen. Ik help al 20 mensen aan bonnen en er kan er nog best eentje bij.”

Vriendelijke kerel!

“Het is niet nodig hoor, maar van harte bedankt voor je aanbod.”

Ik vertel nadat Kees de Jong gearriveerd is mijn verhaaltje. We voelen ons huiverig als we bemerken dat er een meisje voor het huis staat en geregeld naar boven kijkt. Dus exit door de achtertuin, door de poort naar een huis op de Verspronckweg. Als ik daar een poosje gezeten heb komt Jan vertellen dat de weg veilig is en dat het meisje doodgewoon op iemand stond te wachten. Daar gaan we dus naar Bloemendaal. Die eerste nacht zal ik bij P. slapen. Dat brengt Kees even voor elkaar. Intussen ga ik zo lang met hem mee, want ik eet voorlopig bij hem thuis. Slapen gaat niet, want ze slapen zelf niet thuis.”